De positie van stichtingbestuurders ter discussie?
9 oktober 2013

De positie van stichtingbestuurders ter discussie?

Bij veel stichtingen is het bestuur het enige orgaan. Is de positie van een bestuurder van een stichting daarmee op geen enkele wijze ter discussie te stellen? Advocaat Xander Alders legt uit dat dit wel degelijk het geval is.

Anders dan bij een besloten of naamloze vennootschap, waar de algemene vergadering of (indien aanwezig) de raad van commissarissen de mogelijkheid heeft om bestuurders te schorsen en te ontslaan, of bij een vereniging, waar die bevoegdheid normaal gesproken ligt bij de ledenvergadering, heeft een stichting dergelijke organen niet. In plaats daarvan is in de wet wel een ontslagprocedure voor stichtingbestuurders opgenomen, die recentelijk op interessante wijze door de rechtbank Rotterdam is toegepast.

Stichtingen hebben vaak maar één orgaan, het bestuur. In veel gevallen is er ook een directie, maar deze heeft wettelijk geen enkele status. Soms is er ook een raad van toezicht ingesteld die het bestuur controleert, maar er zijn talloze stichtingen waarin het bestuur het enige orgaan is. In die gevallen benoemt het bestuur zichzelf en treden bestuurders af wanneer zij daarvoor kiezen of wanneer het bestuur daartoe besluit. Dit systeem heet coöptatie. Anders dan bestuurders van een stichting met een dergelijke constructie wellicht denken, betekent dit niet hun positie niet ter discussie kan worden gesteld.

De wettelijke ontslagprocedure
Iedere belanghebbende (of het Openbaar Ministerie) kan de rechtbank verzoeken een bestuurder van een stichting te ontslaan (en gedurende het onderzoek te schorsen) als die bestuurder ofwel in strijd handelt met de wet of de statuten, ofwel zich schuldig maakt aan wanbeheer (artikel 2:298 BW). Het is op voorhand niet altijd met zekerheid te zeggen of iemand belanghebbende is of niet. Dit moet de rechtbank per geval beoordelen aan de hand van de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij speelt onder andere een rol in hoeverre de verzoeker door de uitkomst van de procedure zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen dat hij dat belang mag beschermen. Het hangt dus van de specifieke omstandigheden van het geval af of iemand als belanghebbende het ontslag van de stichtingbestuurder kan verzoeken.

Oordeelt de rechtbank dat iemand voldoende belang heeft bij zijn verzoek, dan toetst de rechtbank vervolgens of de bestuurder in strijd heeft gehandeld met de wet of de statuten of zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer. Of dit zo is hangt erg af van de specifieke situatie, maar is wel relatief eenvoudig te toetsen door de rechtbank. Het is daarentegen veel lastiger om wanbeheer van een stichtingbestuurder aan te tonen (zeker als de belanghebbende geen toegang heeft tot alle ins en outs van de stichting).

De rechtbank Rotterdam is in de genoemde uitspraak (Rechtbank Rotterdam 6 maart 2013, LJN: BZ3315) de belanghebbende te hulp geschoten en heeft, binnen de wettelijk kaders, op geheel eigen wijze tijdelijke bestuurders aangewezen die met een nader onderzoek werden belast. Gedurende dat onderzoek heeft de rechtbank het zittende bestuur geschorst.

De wet geeft de rechtbank de mogelijkheid om bestuurders te schorsen en om gedurende het onderzoek voorlopige voorzieningen te treffen. Daarin heeft de rechtbank een grote vrijheid. De rechtbank heeft zelfs bij wijze van voorlopige voorziening de maximale vergoeding voor de tijdelijke bestuurders in haar vonnis opgenomen. Daarmee heeft de rechtbank uiterst praktisch beslist op een manier die doet denken aan de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam.

De ontslagprocedure vs de enquêteprocedure
De handelswijze van Rechtbank Rotterdam heeft veel raakvlakken met de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. Voor stichtingen is het instellen van een enquêteprocedure slechts beperkt mogelijk aangezien deze weg naar de Ondernemingskamer alleen openstaat als de stichting een onderneming drijft waarvoor wettelijk een ondernemingsraad moet worden ingesteld. Bij het gros van de stichtingen is dit niet het geval. De enquêteprocedure is derhalve van beperkt belang voor stichtingen en is in die zin niet echt een alternatief voor de hiervoor genoemde ontslagprocedure.

Niettemin heeft de rechtbank Rotterdam artikel 2:298 BW zo toegepast dat een soortgelijk resultaat als bij een enquêteprocedure werd bereikt. In een enquêteprocedure kunnen bepaalde personen verzoeken om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon in te stellen. De Ondernemingskamer kan, indien zij redenen ziet om aan de juistheid van het beleid te twijfelen, onderzoekers benoemen (en hun salaris vaststellen) en gedurende de procedure bepaalde voorzieningen treffen. Dit is feitelijk hetzelfde als de rechtbank Rotterdam heeft gedaan in bovengenoemde kwestie.

Er zijn echter wel verschillen tussen beide procedures. Zo staat de wettelijke ontslagprocedure geheel in het teken van de vraag of de bestuurders moeten worden ontslagen en kunnen voorlopige voorzieningen ook slechts met het oog op die beoordeling worden opgelegd. De enquêteprocedure is daarentegen veel ruimer van opzet en de Ondernemingskamer heeft dan ook veel meer mogelijkheden om wanbeleid aan te pakken. Zo kan de rechtbank in de ontslagprocedure, in tegenstelling tot de Ondernemingskamer, in de enquêteprocedure geen nieuwe bestuurders benoemen, bepaalde beslissingen terugdraaien of zelfs tot ontbinding van de rechtspersoon besluiten.

Benoeming van nieuwe bestuurders
In veel gevallen kan niet worden volstaan met het ontslaan van een bestuurder (op basis van artikel 2:298 BW of anderszins). Er moet dan vervolgens ook een nieuwe bestuurder worden benoemd. Soms bieden de statuten op dat punt uitkomst, maar vaak (zeker als alle bestuurders zijn ontslagen) ook niet. In dat geval kan de belanghebbende (of het Openbaar Ministerie) wederom de rechtbank verzoeken om één of meerdere vervangende bestuurders te benoemen. Uiteraard is het mogelijk om dit in dezelfde procedure te verzoeken als waarin om het ontslag van de zittende bestuurder(s) wordt verzocht. De rechtbank heeft overigens alleen de mogelijkheid om bestuurders te benoemen voor zover er op grond van de statuten vacatures zijn in het bestuur van de stichting.

Het wettelijk bestuursverbod
In de praktijk komt het regelmatig voor dat een persoon bestuurder is of wordt van meerdere stichtingen. Zeker als een door de rechtbank ontslagen bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer, bestaat de behoefte om ervoor te zorgen dat hij hetzelfde niet nogmaals bij een andere stichting uithaalt. Daarom is in de wet opgenomen dat indien de rechtbank een bestuurder op grond van artikel 2:298 BW ontslaat, die persoon gedurende vijf jaar geen bestuurder van een stichting mag worden. Dit bestuursverbod lijkt misschien doeltreffend, maar is in de praktijk moeilijk te controleren.

De griffier van de rechtbank moet de uitspraak weliswaar inschrijven in het handelsregister, maar dit is voor derden niet zichtbaar. Als het goed is, zal de Kamer van Koophandel de inschrijving van een bestuurder met een bestuursverbod weigeren, maar of dat in de praktijk gebeurt, is de vraag. De Kamer van Koophandel zal daarnaast het bestuursverbod hoogstwaarschijnlijk ook niet toetsen aan reeds ingeschreven bestuursfuncties van de betreffende persoon. Er wordt gepleit voor een openbaar register voor bestuurders met een bestuursverbod, maar vooralsnog is daar nog geen uitvoering aan gegeven. Los hiervan kan de bestuurder met een bestuursverbod via een stroman alsnog feitelijk leidinggevende worden bij een stichting. Ook dat is niet te achterhalen.

Conclusie
De genoemde uitspraken illustreren dat de positie van stichtingbestuurders niet zo onwrikbaar is als zij mogelijk denken. Ook bij stichtingen kan een slecht functionerende of malafide bestuurder worden ontslagen, zelfs als er verder geen andere organen zijn binnen de stichting. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam, heeft de rechtbank verschillende instrumenten tot haar beschikking om te kunnen vaststellen of een bestuurder voor ontslag in aanmerking komt.

Xander Alders is advocaat bij Pellicaan Advocaten N.V. en is onder meer gespecialiseerd in het ondernemingsrecht. www.pellicaan.nl

 

 

1
0

Deze website maakt gebruik van cookies. Door het gebruik van deze website geef je toestemming voor het gebruiken van cookies.

/privacy-statement
Meer informatie
Ja, ik geef toestemming