27 september 2012

Vpb afdragen voor activiteiten in besloten kring?

Verenigingen en stichtingen moeten in bepaalde gevallen vennootschapsbelasting (Vpb) afdragen. Een van de criteria daarvoor is: deelname aan het economisch verkeer. Maar, activiteiten ‘in besloten kring' vormen daar een uitzondering op. Belastingadviseur Daniëlle Veenhuijzen licht het toe.

De vennootschapsbelasting is van toepassing als de vereniging of stichting een onderneming drijft. Daarvoor moet aan de volgende drie voorwaarden worden voldaan:

  1. Er is een oogmerk om winst te behalen.
  2. Er wordt deelgenomen aan het economisch verkeer.
  3. Er is een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal.

Meer hierover leest u in het artikel Vergeet de vennootschapsbelasting niet » 
Hieronder gaan we in op het criterium ‘deelname aan het economisch verkeer’ en de uitzondering hierop, de zogenoemde ‘besloten kring’.

Besloten kring
Als er uitsluitend activiteiten worden verricht voor degenen die aangesloten zijn bij de organisatie, is er sprake van een besloten kring. Dan zal officieel geen sprake zijn van deelnemen aan het economisch verkeer.
Omdat een stichting geen leden of deelnemers kent, zal deze dan ook eerder diensten aan derden leveren en deelnemen aan het economisch verkeer. Voor verenigingen zal wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.

Maar, de vaststelling of sprake is van belastingplicht is erg afhankelijk van de feiten en omstandigheden, en de regels worden nader vormgegeven en geïnterpreteerd in de jurisprudentie en beleidsbesluiten. Hieronder een voorbeeld:

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 1 april 2009 geoordeeld dat een vereniging, met als doel het bevorderen van estate planning in de notariële beroepsuitoefening, beperkt belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Die vereniging is volgens het Hof belastingplichtig voor het organiseren van een beroepsopleiding en een congres, maar niet voor het organiseren van scholingsbijeenkomsten die slechts openstaan voor de leden. Omdat ze hiermee alleen de belangen van haar leden behartigt en niet naar buiten treden, nemen ze voor deze activiteiten geen deel aan het economisch verkeer.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Financiën criteria weergegeven. Dit is baanbrekend, omdat voorheen enkel uit de

jurisprudentie moest blijken wanneer sprake is van een besloten kring.
De criteria:

  • ‘Het verrichten van diensten aan een besloten groep, welke groep niet of nauwelijks kan wijzigen, neigt naar de kwalificatie dat geen sprake is van deelname aan het economisch verkeer;
  • wanneer echter eenvoudig toegetreden kan worden tot de besloten groep om alsnog tegen betaling diensten te ontvangen, kan wel sprake zijn van deelname aan het economisch verkeer;
  • richten de verleende diensten zich uitsluitend op de algemene belangenbehartiging van de leden, dan is geen sprake van deelname aan het economisch verkeer;
  • is sprake van het tegen betaling, ook wanneer geen sprake is van betaling per dienst maar bijdrage van een jaarbedrag, verrichten van individuele diensten ten behoeve van de leden, dan is weer wel sprake van deelname aan het economisch verkeer.’

De toelichting van de staatssecretaris biedt een welkome houvast aan de praktijk. Maar ook deze criteria zijn niet allesbepalend en moeten getoetst worden aan de jurisprudentie.

En wat als de vereniging in concurrentie treedt met ondernemers?
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 breidt het drijven van een onderneming zoals benoemd in de drie voorwaarden uit met een fictie. Ook een werkzaamheid waardoor in concurrentie wordt getreden met bepaalde belastingplichtigen, wordt als onderneming aangemerkt. Van in concurrentie treden is sprake als omzet wordt gegenereerd ten koste van andere belastingplichtige ondernemingen.

Maar over de situaties waarin sprake zou kunnen zijn van het ‘in concurrentie treden’ met ondernemers, bestaat nog onduidelijkheid. De vraag is of ook sprake kan zijn van belastingplichtige ‘in concurrentie treden’ als de activiteiten enkel plaatsvinden ten behoeve van de leden (besloten kring). Het Hof Amsterdam oordeelde recentelijk dat een vereniging buiten de vennootschapsbelasting zou blijven. Dit omdat er slechts aan leden werd gespresteerd en het criterium ‘in concurrentie treden’ slechts van belang is als alleen het winstoogmerk ontbreekt en verder wel voldaan is aan de eisen van een onderneming. De staatssecretaris was het niet met de uitspraak eens en heeft beroep in cassatie aangetekend. Het wachten is nu dus op het oordeel van de Hoge Raad.

Share on print
Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on google
Lees ook...